Kleuterspelletjes voor thuis
08 november 2015 
7 min. leestijd

Kleuterspelletjes voor thuis

Met deze regenachtige dagen kun je naast lekker televisie kijken en chillen op de bank met je kind, deze kleuterspelletjes voor thuis doen.

  1. Kleuterraadseltjes
  • Ik ben een vogel. Ik roep mijn eigen naam ….. koekoek
  • Ik ben een klein geel vogeltje en leef in een kooi ….. kanarie
  • Het heeft 4 poten en je kunt eraan eten ….. tafel
  • Welke schoen trek je niet aan je voeten ….. handschoen
  • Ik ben grijs en heb een lange slurf ….. olifant
  • Ik ben geel/bruin gestreept en kan hard grommen ….. tijger
  • Het is rond en het rolt ….. bal
  • Het is grijs en zegt; ia ia ….. ezel
  • Met welke lepel kun je niet eten ….. schoenlepel
  • Ik lijk op een paard met wit/zwarte strepen ….. zebra
  • Het is rond en warm en staat aan de hemel ….. zon
  • Ik heb veren en een rode kam op mijn kop ….. haan
  • Het is rood, wit, blauw en wappert bij feesten ….. vlag
  • Ik geef melk en sta in de wei ….. koe
  • Ik ben klein en rond en kan om je vinger ….. ring
  • Ik zit in een bril maar je kunt ook uit mij drinken ….. glas
  • Het zit in je hoofd en ook in een naald ….. oog
  • Het zit aan een kopje en ook aan je hoofd ….. oor
  • Ik kan mij goed verstoppen. Ik heb mijn huisje altijd bij mij. Ik ben net zo langzaam als een slak. Ik kan heel groot en oud worden. De eerste klank van mijn naam is een sch. Ik ben een ….. (schildpad)
  • Ik woon in de woestijn. Ik kan heel goed zonder water. Ik heb twee bulten op mijn rug. De eerste letter van mijn naam is een k. Ik ben een ….. (kameel)

2. Raadspel: Wat is weg?

child-421425_640Je pakt 5 voorwerpen en legt die op tafel door elkaar. Je hebt een kleed bij de hand wat over de voorwerpen heen gelegd kan worden, zodat je geen één voorwerp meer ziet. Je bespreekt eerst met je kind wat er allemaal op tafel ligt. Dan vertel je dat je het kleed er overheen doet en je een voorwerp weg gaat halen. Je kind doet zijn ogen dicht en jij haalt er een voorwerp onder vandaan. Je kind mag zijn ogen weer open doen. Je haalt het kleed weg en vraagt dan welk voorwerp weg is. Als het geraden is, herhaal je het spel weer. Je kunt het spel moeilijker maken door meerdere voorwerpen weg te halen of meer voorwerpen op tafel te leggen. Dat ligt eraan hoever je kind is met rekenen. Dat weet jij zelf het beste.

3. Rekenspelletje (meer, minder, ruimtelijk inzicht)

Je kunt door middel van soort raadseltjes testen of je kind weet of iets meer of minder is. Hier volgen er een aantal:

  • Wat is minder: 4 messen of 5 messen?
  • Wat is meer: 4 kopjes of 5 kopjes
  • Wat is het meeste: 1 huis, 2 huizen of 3 huizen?
  • 1 en 1 erbij = ?
  • Hoeveel vingers heb je aan één hand?
  • Wat is minder: 2 of 3 mensen?
  • Tel eens van 1 tot 5
  • Hoeveel ogen hebben 6 kinderen?
  • Hoeveel tenen heb je aan één voet?
  • Wat is meer: 2 boterhammen of 4 boterhammen?
  • Hoeveel vingers zitten er aan twee handen?
  • Tel eens tot 11
  • Tel terug van 10 naar 0
  • 2 en 2 erbij = ?
  • Hoeveel poten zitten er aan een stoel?
  • Tel eens hoeveel neuzen er in de huiskamer zijn
  • Tel de treden van de trap eens, hoeveel zijn het er?
  • 3 en 1 erbij = ?

En zo kun je er zelf op een gegeven moment wel meerdere bedenken. Je kind komt vaak zelf ook wel op ideeën.

4. Luisterspelletje: Wat hoort er niet bij?

  • Tulp – narcis – voet
  • Deur – raam – appel
  • Appel – peer – stoel
  • Brood – boter – mes – plant
  • Stoel – tafel – kruk – bank
  • Bed – deken – handdoek – kussen
  • Shirt – broek – rok – neus
  • Haai – vogel – vis – zeehond
  • Vlinder – bij – schildpad – wesp

Je vraagt uiteraard aan je kind waarom het woord er niet bij hoort. Een variatie is namen noemen en vragen waarom deze bij elkaar horen:

  • Tijger – leeuw – wolf : wilde dieren
  • Lelie – tulp – roos : bloemen
  • Appel – peer – kers : fruit
  • Beker – glas – kopje : kun je uit drinken
  • Muts – pet – hoed : zet je op je hoofd
  • Jas – broek – trui : trek je aan
  • Bank – stoel – kruk : kun je op zitten
  • Poes – cavia – hond : huisdieren

5. Geheugenspelletje: wie gaat er mee naar de dierentuin?

Jij begint als ouder en zegt: “Ik was in de dierentuin en zag er een olifant.” giraffe-614141_640Jouw kind zegt: “Ik was in de dierentuin en zag er een olifant en (wat je kind bedenkt, bijv. een giraffe).” Als je nog meer kinderen hebt, kun je die er ook bij betrekken uiteraard. Je moet de zin herhalen met alle dieren die erbij komen. Dus de zin wordt steeds langer. Kijken hoelang hij kan worden, zonder dat er dieren vergeten worden 😉

Dit waren de kleuterspelletjes voor thuis, veel plezier! Als je zelf nog leuke ideetjes hebt, laat dan je reactie hieronder achter, leuk 🙂

 

Over de schrijver
Reactie plaatsen